TANGO voor TWEE

Liz Snoijink (62) en Nicolaas Oldenburg (71) ontmoetten elkaar in een tangosalon. Zij viel als een blok voor zijn elegante manier van dansen. Hij had meer tijd nodig. Liz: ‘Ik dacht op een gegeven moment: ik moet krachtig optreden, anders wordt het nooit wat.’

 ‘IK PAKTE HEM BIJ ZIJN HOOFD, GAF HEM EEN ZOEN EN ZEI: IK HOUD VAN JE. IDIOOT NATUURLIJK…’ – Liz

Scène 1

Ergens in 2008. Een tangosalon in Amsterdam.
Een bekende actrice danst de tango met een scheepsbouwer. Tijdens het dansen overvalt haar een wonderlijk gevoel.
L: ‘Ik kreeg het gevoel: dit is eigenlijk mijn man. Het sloeg nergens op. Nicolaas was gewoon een van de mannen met wie ik graag danste in de verschillende tangosalons in Amsterdam. Maar als ik met hem over de dansvloer ging, gebeurden er heel andere dingen met mij. Ik vond hem een prachtige, elegante danser met een aristocratische uitstraling. Er zijn meer mannen die mooi dansen, maar met hem voelde ik een connectie.’
N: ‘Ik had dat helemaal niet met Liz. Ik danste met veel ver­ schillende vrouwen en je kunt niet van iedereen met wie je danst gaan houden. Ik zag Liz als een leuke danspartner, maar we hadden nog niet eens een echt gesprek gevoerd.’
L: ‘Als je de tango danst, praat je eigenlijk nauwelijks met elkaar.’
N: ‘Het contact kreeg een impuls door mijn hondje. Ik heb een leuk klein hondje dat ik altijd meenam naar de tangosalon. Dan lag ze onder een stoel en aan het einde van de avond kroop ze tevoorschijn. Liz ging altijd naar dat hondje toe.’
L: ‘Ik was niet alleen op jou verliefd, maar ook op dat hondje.’
N: ‘We raakten in gesprek. Op een gegeven moment zei een vriend van mij tegen me: weet je wel wie dat is? Dat is Liz Snoijink! Dat zei me vrij weinig, want ik houd me niet zo bezig met de showbizz en heb ook lang in het buitenland gezeten.’
L: ‘Ik had indertijd een Argentijnse vriend, die niet wilde dat ik met andere mannen danste. Maar op een gegeven moment strandde die relatie en toen ging ik wel wat vaker met Nicolaas dansen. Maar er gebeurde nog niets.’

Scène 2

Zomer 2010. Een tangosalon in Amsterdam.
De avond loopt ten einde en de scheepsbouwer maakt aanstalten om te vertrekken. Plotseling loopt de bekende actrice op hem af en geeft hem een zoen op zijn mond.
N: ‘Ze rende dwars door de zaal op me af, gaf me een zoen en zei dat ze van me hield. Nu krijg je bij het dansen weleens een aai of een knuffel van iemand als je echt lekker gedanst hebt, maar dat is altijd vriendschappelijk. Dit was iets totaal anders, dat begreep ik wel.’
L: ‘Ik zag je verwarring. Maar je vond het ook leuk.’
N: ‘Natuurlijk. Maar ik was helemaal niet op zoek naar een vrouw. Ik was bezig een boot te bouwen waarmee ik door Europa wilde gaan varen. Bij dat plan hoorde geen vrouw.’
L: ‘Hij zag me niet staan en dat duurde me te lang. Bovendien had ik collega’s die steeds maar tegen me zeiden: ga erop af, doe iets! Je vindt die man leuk, probeer in contact te komen. Toen besloot ik gewoon tegen hem te zeggen wat ik voelde. Ik heb hem echt bij zijn hoofd gepakt en hem een zoen gegeven en gezegd: ik houd van je. Idioot natuurlijk om dat zomaar te doen.’
N: ‘Het was een heel vreemde gewaarwording voor mij. Ja, we deden het leuk op de dansvloer, maar dat had ik met meer vrouwen.’
L: ‘Ik dacht de hele tijd: wat een leuke man. De manier waarop hij mij vasthield als we dansten, zijn geur, alles. Ik was gewoon verliefd! Het had verder geen enkele basis, het gebeurde gewoon. En die avond zag ik opeens dat je bezig was je jas aan te trekken en zei ik bij mezelf: verdorie, er is weer niets gebeurd! Ik dacht: ik moet krachtig gaan optreden, anders wordt het nooit wat.’
N: ‘Maar ik was niet op jacht.’
L: ‘Die zoen was wel een stap, het was echt een mijlpaal. Er was een tijd vóór en een tijd ná die zoen, dat zal je moeten toe­ geven.’

_L1A0480Final

Scène 3

Zomer 2010. Een tangosalon aan het strand in Zandvoort.
Aan het einde van de avond vraagt de scheepsbouwer aan de bekende actrice: kan ik met je meerijden naar huis?
N: ‘Dat vroeg ik, ja. Hoewel ik gewoon met de auto was, maar dat wist zij niet.’
L: ‘Haha, hij moest de volgende dag terug naar Zandvoort fietsen om zijn auto te halen.’
N: ‘Inmiddels wist ik wel dat Liz een bekende actrice was en mijn eerste gedachte was: wat moet ik met zo’n vrouw, ze komt uit een heel andere wereld. Maar op een gegeven moment raakte dat gevoel op de achtergrond. Ik kreeg langzamerhand interesse in haar en begon haar steeds leuker te vinden. En toen verzon ik dus die smoes om nader contact met haar te krijgen. Ze heeft me trouwens keurig bij mijn woonboot afgezet.’
L: ‘Maar je zat wel de hele tijd door mijn haar te kroelen in de auto.’
N: ‘En daarna hebben we gezoend.’
L: ‘Maar vervolgens gebeurde er weer een hele tijd helemaal niets. Ik was hard aan het werk, ik stond in La cage aux folles in het DeLaMar Theater, ik had weinig tijd om te gaan dansen.’ N: ‘Dus kwamen we elkaar weinig tegen. Want we maakten nog geen afspraakjes.’

‘JIJ STRAALT UIT DAT JE EEN GELUKKIG MENS BENT, DAAR HEBBEN RIMPELS GEEN VAT OP’ – Nicolaas

Scène 4

Eind december 2010. De woonboot van de scheepsbouwer in Amsterdam.
De beroemde actrice duwt ’s avonds laat een briefje onder de deur. Het hondje verraadt haar.
L: ‘Ik deelde mijn kleedkamer met Gerrie van der Klei. En die zei telkens: is er nou eindelijk iets gebeurd met die leuke man? Het werd kerst, die bracht ik door met vrienden en Gerrie gaf me op mijn donder. Ze zei: je zat met kerst zonder man, wil je met oud en nieuw ook alleen zitten? Je moet nu actie ondernemen. Dus toen Nicolaas op een avond weer niet in de tangosalon verscheen, reed ik naar zijn woonboot. Met een briefje waarin ik hem vroeg me even te bellen. Maar toen ik daar aankwam zag ik een groot blok met brievenbussen met nergens de naam Nicolaas en ik wist zijn achternaam niet. Toen dacht ik: ik duw het gewoon onder de deur op zijn boot. Maar toen ik de boot opliep, ging zijn hondje blaffen.’
N: ‘Ik lag al in bed. Ik hoorde de hond blaffen en dacht: ik ga even kijken, want die hond blaft niet voor niets. Ik deed de deur open en toen zag ik haar. Ik moest lachen want ik stond daar in mijn sarong.’ L: ‘Ik dacht, misschien valt dat briefje wel helemaal in verkeerde aarde, ik wist het echt niet.’
N: ‘Nou, het was een heel lief briefje, hoor. Het was heel dapper van je. Ik heb me toen aangekleed en ben met haar meegegaan.’
L: ‘Hij ging mee, laadde zijn hondje in en is nooit meer weg­ gegaan.’
N: ‘Ik kwam uit een nogal turbulente relatie. En toen was daar Liz. Een lieve, rustige en ook nog eens mooie vrouw. Ze was aantrekkelijk voor mij op allerlei manieren. Maar ik dacht ook dat ze ver van me af stond.’
L: ‘Dat viel reuze mee.’
N: ‘Dat klopt. Toen we eenmaal aan het vrijen waren, was het gewoon goed. Meteen.’
L: ‘Ik denk dat je beschadigd was door je vorige relatie.’
N: ‘Dat zou kunnen. Ik was voorzichtig. Ik wilde niet weer gekwetst raken, maar ook jou niet beschadigen. Ik had wel door dat zoiets snel in het nieuws kon komen. Maar voor mij was het vanaf dat moment helemaal duidelijk. Raar genoeg voor jou juist weer niet.’
L: ‘Ik was verliefd en dat was heerlijk, maar dan komt er een periode dat je elkaar echt gaat leren ken­nen. Ik dacht, nu gaan we het aftasten.’
N: ‘Maar voor mij hoefde dat niet. Ik wist het meteen heel zeker.’
L: ‘Hij was duidelijk en krachtig. Heel fijn was dat. Jij staat zo sterk in je eigen as, je bent niet omver te duwen. Je bent een enorme rots. Je bent ook zo gewoon, zo aards.’
N: ‘Zo denk ik ook over jou.’
L: ‘Misschien hebben we dat wel gemeen. Misschien is dat het wat het zo makkelijk maakt.’

_L1A1083Final

Scène 5

Februari 2013. Het huis van de bekende actrice in Blaricum.
De actrice zingt een liedje bij de afwas. De scheepsbouwer zakt op zijn knie en vraagt haar ten huwelijk.
L: ‘Ik stond in de keuken, schort om, plastic handschoenen aan en zong Alle leuke jongens willen vrijen, maar ’t stadhuis is er niet bij. Ik zing wel vaker bij de afwas. Plotseling stond Nicolaas achter me en hij zei: zullen we dat dan maar doen? En toen vroeg hij me ten huwelijk.
N: ‘En gelukkig zei ze ja.’
L: ‘Er werd in die tijd nogal veel getrouwd om ons heen. Ook door mensen die elkaar op latere leeftijd hadden leren kennen. Kort daarvoor was zijn beste vriend met diens vrouw op bezoek geweest en zij zei tegen ons: waarom gaan jullie niet trouwen? Ik riep toen nog: hou op zeg!’
N: ‘Ik maakte kennis met de artiestenwereld en zag heel veel mensen die Liz erg aardig vonden. Ik dacht: het is goed om de wereld te laten zien dat Liz getrouwd is. Met mij. En daar ben ik nog steeds heel blij om. Nu weten ze het allemaal. Dat bedoel ik niet op een bezitterige manier. Maar toen ik in het begin in het DeLaMar kwam, waren er allerlei acteurs die Liz al jaren ken­ den en ik kende niemand. Nu weten ze wie ik ben. Dat geeft mij een gemakkelijk gevoel. Voor de rest zijn er geen jaloerse toestanden, we kunnen allebei doen wat we willen.’
L: ‘Het is een cliché, maar we laten elkaar vrij en dat werkt.’

‘JIJ STAAT ZO STERK IN JE EIGEN AS, JE BENT NIET OMVER TE DUWEN’ – Liz

Scène 6

Begin 2014. Een pakhuis op het Prinseneiland in Amsterdam.
De actrice belt de scheepsbouwer. Kun je even komen kijken? Er staat hier een geweldig huis te koop.
L: ‘Na ons trouwen is Nicolaas bij mij in Blaricum ingetrokken. Maar hij heeft zijn hele leven in Amsterdam gewoond, dus ik voelde me daar een beetje schuldig over. Ik had het gevoel: ik heb hem uit die stad getrokken en nu zit hij in dat truttige Het Gooi, misschien moeten we toch iets anders zoeken. We dansen veel in Amsterdam, ik moet er vaak zijn voor mijn werk, misschien moeten we daar weer gaan wonen. En toen was er dat huis op het Prinseneiland. Het was vlakbij zijn oude aanlegplek en je kon voor de deur een boot neerleggen. Een prachtig oud pakhuis. Dus ik belde hem. Maar hij zei heel beslist: nee hoor, ik kom niet eens kijken, ik wil niet weg uit Blaricum.’
N: ‘Ik vind die pakhuizen geweldig leuk, maar ik moest er niet aan denken om Blaricum te verlaten. Ik had het gedaan als zij er gelukkig van werd, hoor. Maar voor mij hoefde het niet.’
L: ‘Ik had zelf ingevuld hoe hij zich voelde over zijn verhuizing naar Blaricum en dat klopte niet. Sindsdien hebben we het er niet meer over. We genieten van de rust in Blaricum.’
M: ‘En ik heb een bootje liggen in Eemnes.’

Scène 7

Begin 2018. Het huis van de actrice in Blaricum.
Een huiselijke twist tussen de actrice en de scheepsbouwer.
L: ‘We hadden heel lang nooit ruzie, wat ons wel eens bevreemdde. We hadden wel meningsverschillen, maar die gingen eigenlijk nergens over. En toen hadden we die discussie waar we niet uitkwamen en opeens zei je tegen mij: laat maar. Je stond op en liep de kamer uit.’
N: ‘We weten niet eens meer waar het over ging.’
L: ‘Maar dat ‘laat maar’ vond ik heel erg. Alsof ik het niet waard was om iets uit te praten. Ik interpreteerde het als: laat maar zitten, je snapt het toch niet.’
N: ‘Maar ik bedoelde: laat maar, het is niet belangrijk, we praten er vanavond wel over, dan benaderen we de discussie op een andere manier.’
L: ‘Je ging naar je werkplaats. En ik dacht: shit, dit wil ik niet. Ik liep naar je werkplaats en je had je lasmasker op. Stond ik ook nog tegen dat masker te praten. We hadden allebei tranen in onze ogen. Jij ook.’
N: ‘Ja, toen ik die van jou zag… Want dat wil ik natuurlijk niet. Ik zal nooit ‘laat maar’ zeggen omdat ik denk dat Liz niet slim genoeg is om iets te begrijpen. Ik denk juist dat ze slimmer is dan ik.’
L: ‘Jij en ik zijn op verschillende gebieden slim. Ik ben goed in talen, jij bent technisch weer heel goed. We zijn anders, we komen ook uit heel verschillende milieus.’
N: ‘Liz komt uit een gefortuneerde familie. En ik kom uit een gezin waar moeder thuis zat te naaien om geld bij te verdienen.’
L: ‘Hij heeft zeven broers en zussen. En ik ben enig kind.’
N: ‘Maar de verschillen vallen weer een beetje weg als je bedenkt dat we allebei liefdevolle ouders hadden.’
L: ‘En we hebben beide een opgeruimd karakter. We zijn nooit chagrijnig. We vinden ook alle twee dat dat niet mag.’
N: ‘Want we hebben het gewoon te goed.’
L: ‘Deze relatie wordt mijn langste relatie. Dit jaar gaan we over de grens. We zijn nu acht jaar bij elkaar en ik vind het zo frappant dat de fysieke aantrekkingskracht blijft. Want we worden wel ouder. Ik word er echt niet mooier op.’
N; ‘Jawel hoor. Jij straalt uit dat je een gelukkig mens bent, daar hebben rimpels totaal geen vat op.’
L: ‘Ik ben elke dag weer blij. Vooral met jou.’
N: ‘En we dansen door tot we honderd zijn.’

_L1A1575Final

Tekst: Renate van der Zee Fotografie: Stef Nagel

Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on Google+