Schrijfster Sophie van der Stap

Tien jaar geleden werd ze ernstig ziek. Ze schreef er een boek over: Meisje met negen pruiken. Dat boek werd een bestseller én verschijnt binnenkort op de Amerikaanse markt. Nu woont ze in Parijs, waar ze werkt aan twee romans. Wat gebleven is: de zucht naar vrijheid en een leven met veel haast.

Nu, tien jaar nadat ze op de rand van leven en dood verkeerde, vragen mensen haar nog steeds regelmatig, op zo’n ongerust toontje: ‘Hoe gaat het nu met je?’ Dan zegt ze steevast: ‘Goed, kiplekker!’ Sophie van der Stap: ‘De helft van die mensen heeft zijn eigen angsten over kanker. Ze willen weten: oh, misschien heb ik het ook wel – hoe ontdekte jij het dan? De andere helft is daadwerkelijk geïnteresseerd. Maar voor mij is het echt het verleden.’

Maar wel een verleden dat haar leven voor eens en voor altijd heeft veranderd. Ze was 21 jaar toen er een ernstige ziekte bij haar werd ontdekt. Haar behandeling duurde 54 weken; 54 weken in het ziekenhuis, proberen te overleven. Waarna ze genezen werd verklaard. Intussen was ze gaan schrijven – iets wat ze nooit geambieerd had – wat resulteerde in Meisje met negen pruiken. Over een meisje dat kaal was geworden door de chemokuurbehandelingen en negen pruiken aanschafte – en bij elke pruik hoorde een karaktertrek, een personage. Het was een autobiografie van een ziekte. Het boek werd een bestseller, het werd vertaald en verfilmd, ze was te gast bij De wereld draait door, en op aandringen van haar uitgever kwam er al snel een tweede boek: Een blauwe vlinder zegt gedag. Ze was begin twintig – en beroemd.  Terugblikkend: ‘Mijn debuut… het is een mooi boek. Het was een begin, een goede stap naar het schrijverschap toe. De grote stap als beginnend schrijver is om vanuit het niets bij een uitgever te komen. Zo verging het met mijn boek. Daar werd het gezien als een werk van literaire kwaliteit.’

Haar ziekte en haar boek hebben haar leven een geheel andere wending gegeven. Het had ook anders kunnen lopen, weet ze. Sophie van der Stap groeide op in de Amsterdamse binnenstad. Haar vader had een softwarebedrijf, haar moeder was ooit stewardess, had vervolgens haar eigen antiekwinkel en werkte daarna jaren in de confectie. Haar ouders hielden van kunst en boeken en, niet in de laatste plaats, van reizen. Sophie ook, toen al. Na het gymnasium besloot ze tot het maken van een lange reis. Ze bezocht India, Nepal, Tibet en Iran. Op haar eentje, toen al. ‘Ik vond het fantastisch! Het was de eerste ervaring van eigen vrijheid. Het was hardcore backpacken, onder en tussen de mensen daar. Ik ben vrij lang blijven hangen in India en verliefd geworden op een Indiase jongen. Ik was anoniem; heerlijk! Ik vind het prettig om me op een anonieme plek onder te dompelen, nu nog steeds. Vandaar ook dat ik nu in Parijs woon.’

‘Ik had een moeilijke tijd na mijn ziekte. Zonder het ziekenhuisleven miste ik houvast’

Terug in Nederland ging ze politicologie studeren, met als specialisatie ontwikkelingssamenwerking. Politicologie interesseerde haar nauwelijks; ontwikkelingssamenwerking des te meer. Dat was: reizen, mensen helpen.

‘Ik zag mezelf niet in Nederland blijven wonen maar op beleidsniveau in een derdewereldland werken. Ik wilde in India beginnen. Aanvankelijk wilde ik ontwikkelingssamenwerking studeren aan de beroemde London School of Economics, maar ik had niet de goede cijfers. Ik heb er wel een summer course gedaan. Ik droomde in die tijd van de VN en de Wereldbank en was heel geïnteresseerd in internationale machtsrelaties, en wat er op dat niveau allemaal besproken en beslist werd. Ik droom daar nog steeds wel van, maar anders. Nu op kleine schaal: dat ik ga werken voor een kleine NGO of een weeshuis in de derde wereld. Dat speelt niet nu hoor, maar ooit… Want kijk, ik zie schrijven niet als het enige in mijn leven. Ik voel er niet altijd liefde voor. Af en toe vind ik het zelfs ronduit vervelend en complex. Dan geeft de gedachte dat niets voor altijd is, me rust.’ De studie werd plotseling afgebroken. De ziekte. De hel. Gevolgd door dat boek en door de roem.

En toen kwam al snel je tweede boek, Een blauwe vlinder zegt gedag, over je leven na de ziekte.
‘Dat tweede boek heb ik in een moeilijke tijd geschreven, na mijn ziekte. Ik was geen onderdeel van het ziekenhuisleven meer. Ik zat tussen het ziekenhuisleven en het echte leven in. Ik had, toen nog, een zwaard van Damocles boven het hoofd: dat de ziekte zou terugkeren. Ik miste ook houvast en ritme zonder dat ziekenhuisleven. Ik had ineens niks. Ik ging naar Buenos Aires en begon daar aan mijn tweede boek te werken; jawel, weer in de anonimiteit. Ik heb het zonder richting geschreven. Omdat ik dacht dat het moest, er lag druk op. Ik werd daar heel onrustig van. Vroeg me steeds meer af: gaat het nou om mijn werk, mijn schrijverschap, of om dat momentum, die heisa eromheen? Ik dacht: ik kan kiezen. Óf dat meisje worden van die twee boeken en dan in allerlei spelletjesprogramma’s en weet ik wat opdraven, óf voor mijn schrijverschap gaan. Ik koos voor dat laatste. Ik was nog piepjong. Ik wilde goede boeken schrijven en daar de tijd voor nemen.’

Je maakte nog een keuze: je ging in Parijs wonen. Waarom?
‘Mijn boek kwam op een bepaald moment uit in Parijs en via mijn Franse agent kon ik aan een pied-à-terre komen. Ik kende Parijs al een beetje; mijn ouders deden aan huizenruil, we hadden tijdens vakanties op wel tien plekken in de stad gewoond. Of ik in een stad kan wandelen, is belangrijk voor me. In Parijs kan dat. Na zes jaar ben ik er nog steeds niet uitgewandeld. Er is hier zóveel leven op straat. Ik woon momenteel in het tweede arrondissement. In de zes jaar dat ik in Parijs woon ben ik negen keer verhuisd. Te vaak. Hier, in het tweede, zou ik heel graag blijven. Ik woon dicht bij De Hallen, het Palais Royal, Japanse toko’s. Hier in de Rue Montorgueil zijn de kaasboeren en slagers nog niet overgenomen door modewinkels. Er zijn overal terrassen. Ik schrijf in de ochtend, wandel ’s middags, ga in de zon zitten lezen wat ik die ochtend geschreven heb, reviseer. Het is natuurlijk prachtig als je zoals ik op de grachten ben opgegroeid, maar ik ben in Amsterdam heel snel uitgewandeld. Het is me te klein, niet groots en dramatisch genoeg. Je kunt de deur niet uit zonder mensen tegen te komen. Ik vind dat heel fijn als ik een weekend terug ben, daarna wordt het me te veel. In Parijs ben ik op straat volstrekt anoniem, een buitenstaander; ik heb daar rust en kan me concentreren op mijn werk. Toen ik in Parijs aankwam, kende ik niemand. Ik was alleen, maar niet eenzaam. Ik had twee uur Franse les per dag en voor de rest schreef en wandelde ik en las ’s avonds boeken. Ik viel iedere avond in slaap met dat gevoel dat je niet weet wat er de volgende dag gaat gebeuren en dat er van alles is om ontdekt te worden… Dat heb ik hier na zes jaar nog steeds. Dat maakt ook dat ik me thuis voel, rust heb. Andersom benauwt het me als dingen vastliggen. Ik vecht tegen de onzekerheden in mijn leven, maar begin te beseffen dat ik ze opzoek en nodig heb. Misschien dat mijn relaties daarom ook niet lang duren. Ik kies er uiteindelijk toch altijd weer voor om in mijn eentje in onzekerheid te leven. Of verliefd te worden op een onmogelijk persoon.’

In Parijs kon je een jaar lang niet schrijven, hoe en wat je ook probeerde. Hoe erg was dat?
‘Tja, als ik van tevoren had geweten dat het een jaar zou duren, had ik in de tussentijd wat anders kunnen doen; mijn ambities in ontwikkelingssamenwerking oppakken in India bijvoorbeeld. Maar dat weet je natuurlijk niet als je met zo’n schrijversblok te maken krijgt. En dan komt er angst: of het schrijven nog wel terugkomt, of dit niet de rest van mijn leven zou kunnen duren. En ik kan je vertellen: in zo’n situatie duurt een dag heel lang. Het is achteraf gezien goed dat ik die tijd heb gekend. Nu kan ik erop anticiperen. Weet ik dat het niet eeuwig duurt.’

En nu, na dat schrijfloze jaar – het lijkt wel een soort wraakactie – werk je aan twee romans.
‘Ja. De ene roman gaat over twee mensen die elkaar ontmoeten, uit beider perspectief beschreven. De andere roman gaat over de relatie tussen een chauffeur en zijn baas. Dat laatste idee kreeg ik toen ik op reis was, weer anoniem in een grote, vreemde stad. Ik was in Beiroet en zag opeens mijn twee hoofdpersonen voor me. Ik begon te schrijven: na een paar bladzijdes kreeg ik pas door dat ik in het Frans bezig was. Toen dacht ik: ik moet het maar proberen, in een vreemde taal. Dan kan het misschien wel, aan twee boeken tegelijk werken.’

Bij de totstandkoming van de Franse roman wordt ze bijgestaan door een studente van de Sorbonne; deze roman wil ze ook bij haar Franse uitgever uitbrengen. ‘Ik weet niet of dat kan; twee moederuitgevers. Mijn literair agentschap zit hier in Parijs, dat zal ik te zijner tijd met hen moeten bekijken.’ Met haar Nederlandse uitgever – die haar liet debuteren met Meisje met negen pruiken – werkt ze aan de andere roman. ‘Deze boeken zijn belangrijk voor me. Ik moet mijn literaire entree nog maken. Ik had op een gegeven moment de keuze: blijf ik over mezelf schrijven of ga ik romans schrijven? Ik ben door de pers ongewild een richting ingeduwd: Sophie van der Stap als merk. Ik heb daar niet voor gekozen.’

Dat imago wil ze niet zijn, maar ze heeft er af en toe wel last van. Te meer daar ze er, nou ja, niet bepaald onaantrekkelijk uitziet. Dan wordt ze weer gebeld door een vrouwenblad: ‘Sophie, wil je een column schrijven over je eigen seksualiteit?’ Nou nee, dankjewel. Te makkelijk. Ze wil romans maken. Al kijkt ze geenszins laatdunkend terug op die tijd van haar debuut, haar snelle roem en dat schrijvende meisje van toen. ‘In september verschijnt eindelijk The Girl with nine wigs en debuteer ik in Amerika en Groot-Brittannië. Aan de vertaling heb ik heel hard gewerkt. Ik bekijk het nu allemaal heel rationeel. Het verhaal zelf, daar ben ik onderhand best moe van. Dat boek heeft me veel gegeven en daar ben ik dankbaar voor. Maar het heerlijke van wonen in Parijs is ook dat ik daar niet alleen maar het meisje van de negen pruiken ben; ik kan in Frankrijk mijn literaire start nog maken.’

En tussendoor heeft ze af en toe nog een andere ‘ambitie’: ‘Ik zou het soms best fijn vinden om te leven zoals andere mensen: opstaan, naar werk gaan, thuiskomen. Vastigheid. Ergens horen. Maar ook: connectie met de echte wereld. Ook om aan mezelf te ontsnappen en niet de hele dag met mezelf te zijn, dat is op vervelende dagen best zwaar. Nou ja, niet week in week uit, maar voor twee dagen per week zou ik dat wel willen. Haha, voor twee dagen in de week, ik hoor mezelf… Mijn huisgenoot noemt me niet voor niets het meisje zonder zorgen. Ik heb geen idee waar ik zou moeten beginnen. Ja, ik ben een gepubliceerd schrijver, dat klinkt heel chic, maar zet mij in een bedrijf neer en ik heb geen idee. Ik heb jarenlang in de bediening gewerkt. Ik vond het leuk, was er ook goed in. Maar dát zie ik me nu niet meer doen. Mijn tante had een goed idee voor me: hotelreceptioniste. Wie weet zit ik binnenkort achter de comptoir van een of ander obscuur Parijs hotelletje.’

‘Ik heb heel snel geleefd’

Je maakt een erg ongedurige indruk.
‘Ik vind het een hele nare gedachte dat tijd nutteloos voorbij gaat. Ik heb daar altijd veel moeite mee gehad, zeker toen ik ziek was. Ik heb altijd heel snel geleefd. Ik had veel bijbaantjes, veel ambities qua studie, heb veel gereisd en veel van de wereld gezien. Ik had altijd zo’n haast. Ik dacht almaar: het leven is kort, ik moet zoveel mogelijk doen en beleven, werken, leren, reizen. En toen ik ziek werd dacht ik: zie je wel, ik heb het op tijd gedaan. Ik kijk eigenlijk niet meer op mijn ziekte terug, maar ik merk wel dat het voor veel mensen aan mijn schrijverschap verbonden is – en dat ís ook zo natuurlijk. Ik kan niet uitleggen waarom ik schrijver ben zonder dat eerste boek, zonder die ziekte. Maar in me leeft het heel weinig. Als je zo jong zo ziek bent geweest, dan denk je: misschien komt het weer terug. Dat heeft heel lang gespeeld.’

Niet meer?
‘Nee, nu niet meer. Het is niet meer mijn ziekte. Ik kan wel weer ziek worden – wie niet hè? Ik word nog steeds om de zoveel tijd gecontroleerd, maar het idee is anders: dat zou een andere ziekte zijn, niet de ziekte die terugkeert. En die haast heb ik nog steeds. Ik bén die haast.’

Tekst: Hans Verstraaten Fotografie: Hans de Vries Visagie: Minke Boeijen

Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on Google+