Kunstenares Lita Cabellut

De Spaanse kunstenares Lita Cabellut maakt wereldnaam met haar gigantische, theatrale portretten, zo ook van Coco Chanel. ‘Ik laat me inspireren door de breekbaarheid van mensen.’

Het atelier van Lita Cabellut (50) ligt aan een wat haveloze kade in Den Haag, maar wie binnentreedt, komt terecht in een verrassende wereld. Perzische tapijten, antieke ligbanken, een eeuwenoud Boeddhabeeld hier, een schaal met felgekleurde paprika’s daar. En overal die enorme, theatrale portretten waarmee de Spaanse kunstenares de wereld aan het veroveren is. ‘Als ik schilder, ben ik een flamencodanseres’, zegt Cabellut, een kleine, beweeglijke vrouw met een massa warrig donker haar. ‘Daarom maak ik zulke grote schilderijen. Dat geeft mij de ruimte om te bewegen. Schilderen is voor mij iets heel lichamelijks. Ik maak er graag enorme bewegingen bij, ik spring, ik zing luidkeels. Zo nu en dan krijg ik last van een tennisarm. Dan zegt mijn fysiotherapeut dat ik met minder passie moet schilderen. En dan zeg ik: “Oké, zeg maar hoe ik dat moet doen dan, want ik zou het zelf niet weten.’’’ Cabellut is bezig in snel tempo internationaal carrière te maken. Vorig jaar had ze succesvolle exposities in Berlijn, Londen, Atlanta en Parijs. De zestien gigantische portretten van Frida Kahlo die ze in Londen exposeerde, werden allemaal verkocht. En ook de portretten van Coco Chanel die ze in Parijs tentoonstelde, vlogen allemaal de deur uit. Onder de kopers bevonden zich leden van de Marokkaanse koninklijke familie en ook Janine van den Ende, die haar werk verzamelt en het ophing in de Van den Ende Theaters in Nederland en Europa. ‘Bij het maken van die portretten denk ik nooit na over wat voor schilderijen het moeten worden, of hoe ik ze ga exposeren,’ zegt Cabellut. ‘Ik ben alleen maar bezig de persoon te doorgronden. Coco Chanel vertegenwoordigt voor mij de absolute elegantie. In haar jeugd heeft ze alleen maar misère gekend: haar moeder stierf toen ze twaalf was, haar vader dronk en bracht haar naar een weeshuis. Maar al die ellende heeft ze weten om te zetten in elegantie en schoonheid. Haar leven was een leven zonder grijstinten, net als haar mode. Het was zwart of wit. Dat is iets waarin ik mezelf herken.’

‘Chanels leven was een bestaan zonder grijstinten. Het was zwart of wit. Dat is iets waarin ik mezelf herken’

Coco Chanel

Straatkind

Lita Cabellut groeide op in een zigeneurfamilie in El Raval, de rosse buurt van Barcelona. Haar vader heeft ze nooit gekend, haar moeder zat in de prostitutie en bekommerde zich niet om haar. Ze werd opgevoed door haar grootmoeder en toen die stierf, belandde ze als achtjarig kind op straat. ‘Ik was een straatkind ja, zoals miljoenen andere straatkinderen in de wereld. Het was een hard leven, want je voelt je nooit beschermd, je hebt geen thuis waar je naartoe kunt. Het is zwart of wit. Je gaat dood of je overleeft het. Maar als kind accepteer je de dingen zoals ze zijn. En het had ook zijn leuke kanten. Ik hoefde niet naar school, ik kon alles doen wat ik wilde: stelen, kattenkwaad uithalen. Het is vooral moeilijk als je ziek bent en je geen medische hulp krijgt. Of als er iets met je kameraadjes gebeurt. Maar ik was nooit helemaal alleen. Straatkinderen helpen en steunen elkaar, ze hebben hun eigen, kleine gemeenschap. Ze zijn zich bovendien niet bewust van de erbarmelijke omstandigheden waaronder ze leven. Dat zijn eigenlijk alleen de mensen die hen zien en die een geweten hebben.’ Toen ze tien jaar oud was kwam ze terecht in een kindertehuis, waar ze opviel omdat ze intelligent was. Het tehuis zocht adoptieouders voor haar en zo belandde ze op twaalfjarige leeftijd bij een schatrijke en zeer conservatieve Spaanse familie. ‘Opeens woonde ik in een huis waar bedienden rondliepen. Ik was totaal niet onder de indruk: ik vond het een belachelijke wereld. Mijn adoptieouders gaven me een heel strenge opvoeding. Al die regeltjes waar ik me opeens aan moest houden! Ik zag het als een circus waar iedereen zijn kunstje moest vertonen. Het kostte me veel moeite me aan te passen. Eerlijk gezegd heb ik me nooit aangepast. Toen ik dertien jaar oud was, namen mijn adoptieouders me mee naar het Museo Nacional del Prado in Madrid. Dat was een beslissend moment in mijn leven. Ik stond voor ‘De Drie Gratiën’ van Peter Paul Rubens en ik was helemaal overdonderd. Ik vond dat schilderij het mooiste wat ik ooit in mijn leven had gezien. Die vrijheid van beweging! Die vrijheid om je zo uit te drukken! Het was een compleet nieuwe wereld en ik wilde die binnengaan. Ik besloot daar, op dat moment, dat ik ook schilder wilde worden. En toen ik dat tegen mijn moeder zei, zorgde ze er meteen voor dat ik les kreeg. Mijn eerste leraar was een oudere man die noch het geduld noch de gezondheid bezat om een wild dier als ik aan te kunnen. Ik was heel ongeduldig, ik wilde meteen schilderen. Maar hij zei: “Je moet eerst leren kijken. Er zijn ontelbare rituelen die je eerst moet verrichten voordat je uiteindelijk kunt gaan schilderen.” Hij leerde me traditionele dingen, zoals het respecteren van een penseel, het hanteren van een palet, de hele ceremonie. Pas na een jaar tekenles mocht ik beginnen met schilderen. Hij liet me een schilderij van Goya naschilderen. En toen begreep ik dat ik nog een lange weg te gaan had. Een héél lange weg, haha! Ik ben nog steeds bezig me te ontwikkelen. Als mensen tegenwoordig enthousiast naar me toe komen of als ik lovende recensies krijg, ben ik altijd nog verbaasd. Iets in mij vindt het overdreven.’ Het werk van Cabellut bestaat voornamelijk uit portretten. Portretten die haar jeugd in El Raval weerspiegelen, zoals de series die ze maakte van hoeren, zwervers en psychiatrische patiënten. Of het zijn portretten van beroemheden zoals Coco Chanel, Frida Kahlo en de flamencozanger El CamarÓn de la Isla. Het zijn altijd mensen die, net als zij, de bodem van het bestaan hebben gezien, maar die het ondanks alles hebben overleefd. ‘Lucien Freud heeft ooit gezegd: “Elk portret dat een kunstenaar maakt is een zelfportret.” Als ik deze mensen schilder, schilder ik ook mezelf en probeer ik ook mezelf te doorgronden,’ zegt Cabellut. ‘Ik laat me bovenal inspireren door hun breekbaarheid. Het grote wonder is dat ze uit die breekbaarheid hun kracht hebben gehaald.’

‘Ik werk achttien uur per dag. De kunst is mijn leven’

Tovenaars

Op haar negentiende nam Cabellut een zeer belangrijke beslissing: ze wilde de kunstacademie doen en vertrok naar Nederland. Omdat ze nieuwsgierig was naar het licht: het geroemde licht van de oude meesters, van Rembrandt. ‘Maar ook omdat ik me los wilde maken van mijn ouders. Ik hield veel van ze en dat doe ik nog steeds, maar ze waren te strikt voor mij. In Nederland studeerde ik aan de Rietveld Academie. Ik kwam terecht in een land van wereldreizigers, van mensen die gewend zijn met kunst te leven. Ik zie Nederlanders niet als een koel volk. Innerlijke passie kan vele vormen aannemen. Natuurlijk zijn wij zigeuners heel expressief, maar dat betekent nog niet dat je gepassioneerd bent. Ik ken veel gepassioneerde Nederlanders. Ik voel me thuis in Nederland, maar dat voel ik me in Londen en Parijs ook. Voor een zigeunerin maakt het niet zoveel uit waar ze woont. Want dat is toch wat ik ben. Ik ben niet Spaans en ook niet Nederlands. Ik ervaar alleen herkenning als ik onder zigeuners ben. Het is de magie. Wij zigeuners zijn tovenaars. Wij kunnen van helemaal niets iets maken. Je komt het huis van een arme zigeunerfamilie binnen en ze maken van een paar aardappelen een heerlijke maaltijd en opeens komen opa en oma, ooms en tantes, neefjes en nichtjes binnen en ontstaat er een feest. Dat kleurrijke, die onstuimigheid, dat herken ik.’ Dat kleurrijke en onstuimige is terug te vinden in haar woonhuis dat ze op een unieke manier heeft ingericht: kunstzinnig en barok, vol overrompelende kleurencombinaties, overdadig meubilair en Boeddhabeelden die ze overal vandaan heeft gesleept. Ze woont er met haar zeventienjarige zoon. ‘Mijn zoon is gek op kunst: hij heeft nu al zijn eigen verzameling. Al mijn kinderen zijn kunstzinnig. Mijn twee andere zoons zijn schilder en beeldhouwer. En mijn oudste dochter is mijn secretaresse. Dat is voor mij een ideale situatie. Mijn werk is zo intens en persoonlijk dat ik er geen vreemde bij wil hebben.’ Op dit moment werkt ze aan een serie portretten van vrouwen die de wereld hebben veranderd, voor een expositie in Dubai. Het worden weer enorme doeken. ‘Ik kwam een keer een psychoanalyticus tegen die zei: “Aan uw werk te zien heeft u het perspectief van een kind van drie maanden. U schildert mensen op het formaat zoals een baby ze ziet.” Die uitspraak intrigeerde mij. Ik herkende er iets in. Ik moest als meisje heel snel volwassen worden, zou ik er daarom altijd naar hebben terugverlangd om als een klein kind naar de wereld te kijken? Ik wilde graag meer weten, maar hij zei: “Dan moet u bij mij in regressietherapie gaan.” Ik zei: “Hartelijk dank, maar daar heb ik geen tijd voor.” En dat was niet gelogen. Ik werk achttien uur per dag. De kunst is mijn leven. En dat is zo geweest vanaf het moment dat ik die Rubens in het Prado zag.

Tekst: Renate van der Zee

Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on Google+