Jet Bussemaker

Doe iets met je leven en met je talenten. Haal eruit wat erin zit. Dat levensmotto kreeg Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Jet Bussemaker van huis uit mee. En brengt ze ook in praktijk, zowel zakelijk als privé.

Inspiratiebron

‘Een van mijn docenten was Lidie Cohen, de vrouw van Job Cohen. Ik leerde haar kennen toen ik twaalf jaar oud was; zij werd mijn docente Nederlands maar ook mijn klasselerares. Ze was jong, 24 jaar. Ze was een echte gangmaakster, iemand die mij enorm inspireerde; vooral ook om maatschappelijk te denken. Zij gaf Nederlands en natuurlijk zat daar ook grammatica bij, maar zij liet mij vooral zien dat literatuur een manier is om te ontdekken hoe je zelf bent en hoe wij in de wereld staan. Zij bracht mij de liefde voor Multatuli bij. En het besef van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Van haar heb ik leren argumenteren. Je kreeg niks gratis van Lidie; ze was heel streng, je kreeg nooit een goed cijfer omdat ze je aardig vond, je moest er hard voor werken. Later kende iedereen haar als de vrouw van Job, die vrouw die invalide was en in een rolstoel zat. Ik herinner me haar als een heel mooie, intellectuele, heel actieve, betrokken vrouw. Ze is onlangs overleden. Ik heb gesproken bij haar herdenking. Om nooit te vergeten: zij was mijn inspiratiebron.’

Moeder

‘Tot mijn zevende heb ik in Den Bosch gewoond, daarna in Oegstgeest. Mijn vader kreeg een andere baan; hij werkte eerst bij Remington, in de buurt van Den Bosch, en werd vervolgens adjunct-directeur van de Rijksdienst voor het Wegverkeer in Den Haag. Dus, ja, zoals bij heel veel gezinnen: de baan van de vader was bepalend. Mijn moeder wilde altijd dierenarts worden. Haar vader was huisarts in het Groene Hart en zij ging vaak met hem mee, naar al die boerenfamilies. Toen kwam ze op het idee: ik wil dierenarts worden! Maar dat vond mijn opa geen baan voor een meisje. Vervolgens is ze, behoorlijk gedesillusioneerd, medicijnen gaan studeren en werd ze uiteindelijk medisch analiste. Mijn ene broer is elf maanden ouder dan ik en ik heb een broertje – nog steeds mijn broertje! – dat acht jaar jonger is. Toen mijn oudste broer en ik nog jong waren, woonde er een tante bij ons in huis die met mijn moeder de zorg over ons verdeelde, zodat mijn moeder kon werken. Daar is ze na een paar jaar mee gestopt, maar toen mijn jongste broertje naar school ging, begon ze weer te werken – tien uur in de week bij het Leids Universitair Medisch Centrum, als assistent van een arts die met een groot promotieonderzoek bezig was. Ze moest erg wennen; ze had in al die jaren een hoop technische ontwikkelingen gemist. Maar zij is vervolgens tot haar pensioen blijven werken. Ik weet nog wel dat er af en toe naar ons gekeken werd: oh, ben je dan een sleutelkind, wat zielig… Maar zo heb ik dat helemaal nooit ervaren. Mijn moeder was juist heel betrokken, had altijd tijd voor ons. En ze voedde mij op met het idee: je moet uit jezelf halen wat erin zit. En ook, erg belangrijk: je moet voor jezelf kunnen zorgen. Ook zij was een belangrijk voorbeeld voor me.’

Vader

‘Daar zit een lange geschiedenis aan vast. De moeder van mijn vader studeerde bouwkunde in Delft, wat heel bijzonder was voor die tijd. Daar is ze mee gestopt toen ze haar man ontmoette en met hem naar Indië ging. Het werd oorlog. Haar man, commandant op een onderzeeër, kwam om het leven. Ze kwam met haar drie puberzonen, onder wie mijn vader, in Jappenkampen terecht en na de oorlog kwam ze geheel berooid aan in Nederland – en ook nog zonder diploma. Via Defensie kreeg ze een baantje. Mijn vader deed drie jaar HBS in één jaar. Om de tijd in te halen. En ja, misschien ook wel om al die ellende te vergeten. Mijn band met mijn vader was lange tijd helemaal niet zo goed. Ik had als puber veel conflicten met hem. Ik was opstandig, zocht de grenzen op. Het was de tijd van de dekolonisatie, van de Vietnamoorlog tot en met zeehondjes die werden neer geknuppeld en vrouwenthema’s – bijvoorbeeld dat vrouwen minder verdienden. Dat hield me allemaal erg bezig. Bovendien was ik niet bijzonder trots op de koloniale rol van Nederland in Indië en de rol van mijn opa als hoofd van de onderzeedienst daar. Dat was mijn vader wel; vooral trots op zijn vader.

‘Pas toen ik het huis uit was zijn mijn vader en ik nader tot elkaar gekomen.’

Over zijn verleden in de Jappenkampen werd niet gesproken. Ik wilde dat wel, maar wist niet hoe. Er werd veel gezwegen. Pas toen ik het huis uit was zijn mijn vader en ik nader tot elkaar gekomen. Ik raakte ook steeds meer gefascineerd, ik ging vragen stellen. Ik kwam, eindelijk, echt in contact met mijn vader. En toen, op mijn 25ste, ben ik met hem naar Indonesië gegaan. Dat was heel bijzonder, te meer daar het op die reis ineens ook erg goed ging tussen ons. We waren nog maar kort op Java, we stonden onder zo’n grote tropische boom en opeens… opeens begon hij zijn hele verhaal te vertellen. Wij zijn naar de plekken gegaan waar hij had gewoond, naar de kampen waar hij heeft gezeten. Hij had natuurlijk een trauma: de oorlog begint, binnen een week is je vader vermist, je wordt op elkaar gepakt op transport gezet naar een Jappenkamp; alles wat je lief is verlies je. Na de oorlog was Indonesië een totaal niemandsland; mijn vader zat in een jongenskamp, door diezelfde Japanners beschermd tegen de Indonesische nationalisten. Hij dacht toen echt dat hij dood ging. Die reis heeft onze band heel erg ten goede veranderd, oh ja, zeker. Ik vroeg hem: ‘Vind je dit niet te confronterend, pap? Hij zei: ‘Dit is mijn verhaal en het beste wat me kan overkomen is dit aan mijn dochter te vertellen en te laten zien.’’

Jet Bussemaker

Familie

‘Ik kom uit een familie waar velen hun talenten gebruikt hebben. Mijn ene tante was advocaat, de andere bioloog, mijn oma studeerde bouwkunde – in een tijd dat dit allerminst gebruikelijke beroepen waren voor vrouwen. In die traditie ben ik opgegroeid. Het ging erom: de wereld ligt voor je open. Dóé daar iets mee.’

Amsterdam

‘Ik kwam eind jaren zeventig van de middelbare school. Ik dacht erover bouwkunde te gaan studeren of scheikunde. Maar ik koos uiteindelijk voor politicologie. Er was veel aan de hand in de wereld en ik was enorm geëngageerd. Ik wilde reizen en journaliste worden en politicologie leek me daarvoor een goed uitgangspunt. Ik ging naar de UvA, naar Amsterdam – daar gebeurde het! Ik ging geen politicologie studeren met de gedachte: dan word ik later Kamerlid, laat staan minister. Absoluut niet. Ik wilde de wereld ontdekken en leren begrijpen. Die studie was leuk, interessant. Er wordt soms wel gezegd dat toen alles beter was. Dat zal ik niet zeggen, maar het was wel een tijd waarin je langer over je studie kon doen. Ik heb die kans vooral benut om heel veel bijvakken te volgen. Ik heb heel goede colleges gehad, heel goede docenten, maar ik heb ook docenten gehad die alleen met hun eigen stokpaardjes bezig waren. Ik heb mijn doctoraal in zes en een half jaar gehaald. Maar daarnaast was ik wel kandidaatsassistent en deed ik journalistieke klussen om wat bij te verdienen. Amsterdam was zeer onrustig in die tijd: Geen woning, geen kroning! Als er een week geen demonstratie was, dan was dat bijzonder. Ik woonde in het Handelsbladgebouw, naast het Paleis op de Dam, toen bekend als een krakersbolwerk. Er woonde een heel gemêleerd gezelschap: kunstenaars, vluchtelingen, studenten… Ja, het was spannend. Zeker voor iemand die uit een zeer beschermde omgeving kwam.’

‘Thuis ben ik gewoon Jet en absoluut niet vrijgesteld van huishoudelijke taken’

Ambitie

‘Ik studeerde cum laude af. De jeugdwerkloosheid was toen zeer hoog. Ik werd ingedeeld bij de verloren generatie. De sfeer was: het wordt toch niks meer, je kunt het wel vergeten, zeker met een studie politicologie… Uiteindelijk kreeg ik de mogelijkheid om te promoveren. Ik dacht: zo’n kans krijg ik nooit meer in mijn leven. Tegelijkertijd ging ik lesgeven op de Universiteit van Amsterdam en later ook op de Vrije Universiteit. Ik kreeg goede beoordelingen van studenten. Ik vond het lesgeven erg leuk en kon het ook goed. Maar ik heb dat wel moeten léren; ik had er geen enkele voorbereiding op gehad. In die tijd ging dat zo: ga het maar doen. Ik promoveerde. Ik zat een tijdje op Harvard, gaf gastcolleges in Duitsland, China, Australië, Japan. Mijn droom kwam uit: reizen, reizen, reizen. En werken, werken, werken. Dat ambitieuze, dat zat en zit in me. Wat ik al zei: je móét je talenten gebruiken. Toen ik dertig was zei mijn vader: ‘Werk je niet te hard?’ Klopt. Ik werk hard, altijd gedaan. Ik krijg daar ook energie van. Maar ik moet er mijn hele leven al op letten dat het niet teveel wordt.’

Ontspanning

‘Ik weet hoe ik me moet ontspannen. Ik vind het heerlijk om lange wandelingen te maken, bij voorkeur in de bergen. En ik heb nu ook weer een racefiets gekocht. In het weekend een paar uur fietsen en alles vergeten, heerlijk. Vorige week ben ik met vriendinnen naar natuurgebied het Twiske gefietst, een tocht van dertig kilometer.’

‘Ik maak weken van tachtig uur maar ik vergeet mijn omgeving absoluut niet.’

Vriendinnen

‘Ik maak weken van tachtig uur maar ik vergeet mijn omgeving absoluut niet. Man en dochter. Vriendinnen. Ik investeer in mijn vriendinnen. Ik probeer er altijd voor ze te zijn in moeilijke tijden. En andersom. Daarbij: er is echt wel meer in het leven dan werk.’

Tempo

‘Ik denk dat mijn medewerkers vaak zullen zeggen dat ik ongeduldig ben en dat het tempo wel erg hoog ligt. Ik heb vaak tegen mezelf gezegd: dit hoeft niet iedereen vol te kunnen en te willen houden. Ik ben ook heel blij dat ik een man en een dochter heb die mij als het nodig is corrigeren en me met beide benen op de grond houden. Als ik thuis ben vinden ze: nu die knop uit Jet, je bent nu geen minister, dus je doet maar normaal. Ik heb wel moeten wennen, moeten leren om mijn hoofd leeg te maken. Dat ik beter wat later thuiskom maar wel alles heb afgerond dan dat ik op tijd ben en in mijn hoofd nog bezig ben met een probleem.’

Man

‘Mijn man is met pensioen. Hij is een stuk ouder dan ik. En hij heeft altijd minder ambities gehad dan ik. Toen ik hem leerde kennen werkte hij als directeur van de afdeling onderzoek bij het UWV. Hij doet nu veel voor onze dochter en hij geeft taalcursussen aan migranten. Jawel, soms vindt hij het vervelend dat ik zoveel werk. Maar hij geeft me ook veel ruimte; hij houdt van sterke vrouwen. En ik stel me ook zo op dat niet alles om mij draait. Thuis ben ik gewoon Jet. Ik zet de vuilnis buiten, ik ruim de afwasmachine leeg… Ik ben absoluut niet vrijgesteld van huishoudelijke taken. Dat zou ik ook bizar vinden.’

Schuldgevoel

‘In mijn tijd zaten er nog niet veel vrouwen op universiteiten en hogescholen. Het begon echter wel te veranderen. Maar kregen die vrouwen, eenmaal afgestudeerd, kinderen dan gingen ze in deeltijd werken, of ze gingen niet meer werken – en werden ook niet meer gevraagd. Zo is het nog, helaas. Het schiet niet echt op. Er moet nog zóveel gebeuren. De helft van de vrouwen in Nederland kan financieel niet op eigen benen staan, vrouwen krijgen doorgaans slechter betaald voor hetzelfde werk als een man. Kinderen die naar de kinderopvang gaan worden gezien als zielige kinderen en moeders praten elkaar een schuldgevoel aan, terwijl in tal van andere landen om ons heen je een kind iets ontnéémt als je het niet naar de kinderopvang brengt: leren spelen, leren samenwerken, ergens bijhoren. Het feit dat vrouwen vaak onder hun niveau werken of, noodgedwongen in deeltijdbanen… Ik ben dan ook erg benieuwd hoe de nieuwe generatie het gaat doen. Op bijna alle faculteiten zijn er nu meer vrouwen dan mannen – en ze studeren sneller, halen betere resultaten. Ik zou vooral de werkgevers willen uitdagen om de talenten van deze vrouwen te gebruiken. Want ook dat schiet niet op: het aantal vrouwen in Nederland op hogere functies.’

Topvrouwen

‘Een project dat we als ministerie samen doen met werkgeversorganisatie VNO-NCW. Er werd te makkelijk door bedrijven gezegd: wij willen wel meer vrouwen in onze top, maar ze zijn er niet. Klinkklare onzin. Dat hebben we laten zien door een database aan te leggen met geschikte vrouwen. Inmiddels is die lijst uitgegroeid tot een cv-bank van negenhonderd namen, allemaal vrouwen die heel geschikt zijn voor hogere functies. Het is nu echt tijd dat bedrijven daar werk van gaan maken. Ik ben ook bezig met een toer door het land. Om de boodschap aan lokale bestuurders, organisaties en werkgevers over te brengen: denk aan vrouwen, geef herintreders een kans. Want het gaat niet alleen om vrouwen aan de top. Het gaat vaak ook om vrouwen die hun zelfvertrouwen zijn kwijtgeraakt: wat kan ik nog? Het feit dat één op de twee vrouwen afhankelijk is van haar partner baart mij zorgen. Het maakt vrouwen onnodig kwetsbaar op korte en lange termijn en het doet geen recht aan hun talenten. Daarom daag ik werkgevers steeds uit om zelf met initiatieven te komen.

‘Vrouwen zijn minder geneigd zichzelf op de borst te slaan: kijk eens hoe goed ik ben!’

We zien dat deze aanpak werkt en dat steeds meer bedrijven, zoals NS, Philips en verschillende onderwijsinstellingen, hun steentje willen bijdragen aan een betere positie van vrouwen op de werkvloer. Maar vrouwen kunnen zelf ook veel doen. Vrouwen denken vaak: als ik goed mijn best doe en goed presteer dan ziet men dat wel en dan komt het wel goed. Maar zo gaat het helemaal niet. Ik heb dat zelf ook moeten leren. Vrouwen zijn minder geneigd zichzelf op de borst te slaan: kijk eens hoe goed ik ben! Mannen doen dat veel beter, tot het onuitstaanbare toe: mij moet u hebben! Wij weten ook uit onderzoek: als mannen solliciteren en ze voldoen aan acht van de tien functie-eisen, dan zeggen ze: ik ben de perfecte kandidaat. Een vrouw met precies diezelfde kwaliteiten zegt: euh ja, ik moet op een paar punten misschien toch nog wel wat bijleren… We moeten leren daar doorheen te kijken. En bovendien, niet te vergeten: het is bewezen dat bedrijven met diversiteit in de leiding – en door de rest van het bedrijf heen – het gewoon beter doen. Weet je wat ook raar is? Dat meisjes van vijftien, zestien jaar het beter doen dan jongens, maar dat mannen van rond de dertig toch betere carrièrekansen krijgen en meer verdienen. Wij vrouwen moeten elkaar beter op weg helpen en een schouder aanbieden. We hebben geen old boys network meer nodig maar een great girls network.’

Inspiratiebron

‘Ik? Nou ja, eigenlijk wel, hoewel het natuurlijk raar is om dat van jezelf te zeggen. Ik kom net terug uit Berlijn. Onze ambassadeur daar is een vrouw en ze had even eerder een groep enthousiaste jonge vrouwen op bezoek gehad. Die konden zich aan haar spiegelen. Heel goed is dat. Ik zie mezelf niet als Mevrouw de Minister, dat zou raar zijn; ik zie mezelf gewoon als Jet. Maar als ik in mijn functie jonge vrouwen kan inspireren, als ze zich ook aan mij kunnen spiegelen: niks mis mee. Heel, héél goed zelfs. Ik weet hoe belangrijk inspiratiebronnen kunnen zijn in het leven.’

Meer inspirerende verhalen lezen? Klik hier.

Tekst: Hans Verstraaten Fotografie: Hans de Vries Visagie: Minke Boeijen

Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on Google+