Interieurarchitecte Evelyne Merkx

Ze heeft tal van prestigieuze projecten op haar naam staan en rekent grote musea, gemeenten en bedrijven tot haar opdrachtgevers. Elegance sprak met de door de wol geverfde interieurarchitecte. ‘Geef ik mijn ontwerp, of de bestaande ruimte voorrang? Die afweging is de basis van mijn werk’

Evelyne Merkx (1947) is enthousiast: ze mag het Amsterdamse restaurant de Roode Leeuw van een nieuwe, ditmaal ranke serre voorzien. Daar gingen heel wat gesprekken aan vooraf. Onder meer met burgemeester Van der Laan. ‘Ik heb de gemeente ervan moeten overtuigen dat er op z’n minst één fraaie parel moet komen op de ordinaire kermis die het Damrak is geworden.’

Merkx, slank, rijzig en met een waakzame maar zachte blik, ontvangt ons in haar werkloft op de vierde verdieping van wat ooit een zeepfabriek was, hartje Jordaan. Vijftien jaar stond ze met levenspartner Patrice Girod aan het hoofd van architectenbureau Merkx + Girod, dat betrokken was bij tal van prestigieuze projecten zoals de uitbreiding van de Raad van State, interieurs van de Hermitage en het Dordrechts museum, de Nieuwe Kerk in Amsterdam en het tijdelijke Rijksmuseum. Sinds Girods terugtreden voert ze een compacte ontwerpstudio: Merk X.

Je ging pas architectonische vormgeving studeren op je 32e.
´In mijn familie was het niet vanzelfsprekend dat vrouwen gingen studeren. Na de middelbare school heb ik een opleiding tot directiesecretaresse gevolgd en ben gaan werken. Sáái! Er kwam een positie vrij bij de Bijenkorf, ook als directiesecretaresse. Ik solliciteerde, maar ik vond de andere afdelingen veel spannender. Sales Promotions bijvoorbeeld, die de opmaak van de etalages en de acties in de winkels regelde. Dat gaf ik aan tijdens het gesprek en zo kwam ik op die afdeling terecht. Ze verklaarden me voor gek hoor: ik ging veel minder verdienen. Maar daar, op mijn 21e, kreeg ik voor het eerst te maken met creatieve mensen: illustratoren die advertenties maakten, stylisten, inkopers… Ik voelde me er meteen heel erg thuis. Vijf jaar heb ik er met plezier gewerkt als projectleider. Ik koesterde de ambitie om interieurarchitect te worden, maar dat zat er niet in. Ik was ondertussen getrouwd en na mijn mans afstuderen zijn we naar Amerika en Duitsland vertrokken. We hadden inmiddels twee kinderen. Later keerden we weer terug naar Nederland. En ofschoon ik creatief bezig was – ik beschilderde vazen die ik verkocht aan Metz & Co – zat er een onrust in me. Ik voelde me geen professional omdat ik geen opleiding had gehad. Onzin hoor, maar zo voelde ik dat wel. Dus toen heb ik me aangemeld bij de Rietveld Academie en werd ik aangenomen.’

 Hoe regelde je dat in praktijk?
‘Inmiddels was ik gescheiden – ben ik niet trots op hoor, daar heb we beiden onder geleden – en had ik met mijn ex-man afgesproken dat hij me tijdens mijn studie financieel zou ondersteunen. Net zoals ik dat bij hem had gedaan tijdens zijn studie. Ik zou dan afzien van alimentatie. Mijn kinderen waren toen vijf en zes en ik zorgde fulltime voor ze. Ik had een school geregeld tegenover de academie, dus na schooltijd zaten ze onder mijn tekentafel op de academie. Gelukkig vonden mijn medestudenten dat heel leuk. Zware tijd: Naar de academie tot half vijf, dan zorgen voor de kinderen tot een uur of acht en daarna wachtten de opdrachten voor de academie.’

Hoe was de start?
‘Op mijn 37e ben ik afgestudeerd. Daar stond ik: geen geld, geen huis. Mijn zwager en zus raadden me aan op zoek te gaan naar een ruimte die niemand wilde hebben, dat drukte de kosten. Toen heb ik deze plek gevonden: het was een onbeschrijflijke bende. Mijn zwager heeft de koop voorgefinancierd. Ik zette mijn werktafel neer en ging aan de slag. Mijn eerste klus was de verbouwing van de keuken van een particulier. Toen kwam de Bijenkorf met een voorstel: Ik kon twee dagen per week op freelance basis voor ze aan de slag. Dat was mijn big break.’

 Wat moest je doen?
‘Ik maakte trendprognoses. Voor de inkopers naar de beurzen vertrokken, presenteerde ik die prognoses van ontwikkelingen, kleuren en materialen zodat ze houvast hadden. Ik heb ook textielcollecties voor de Bijenkorf ontworpen. In ’95 heb ik de grote verbouwing van de woonafdelingen van de Bijenkorf gedaan. Ik wilde er de ramen openen. Mensen willen stoffen bij daglicht zien. Een groot deel van het budget ging op aan gevelrestauratie. Mede naar aanleiding van dit project ben ik benaderd om de verbouwing van het interieur van Het Concertgebouw in Amsterdam te doen. Er zijn dan ook parallellen: beide trekken grote groepen mensen, materialen moeten hufterproof zijn, brandveiligheid is belangrijk en tijdens de verbouwing moeten beide gewoon open blijven.’

Wat is kenmerkend voor jouw aanpak?
‘Een gebouw heeft beperkingen, een handschrift. Ga ik daarin mee of juist tegenin? Met andere woorden: pas ik het ontwerp aan de ruimte aan, of krijgt het ontwerp voorrang? Die afweging is voor mij de basis van mijn werk. Daartoe verdiep ik me in de historie van een gebouw, analyseer ik de ruimte. Ik wil een antwoord hebben op de ruimte. De nieuwe bestemming is het antwoord op de monumentale kwaliteit. En dit is niet aan maat gebonden hoor, dit geldt ook voor kleine projecten. Waar ik naar streef is dat een gebouw of een ruimte logisch is. Als oplossingen te ingewikkeld worden, dan is het niet goed. Mijn werk ziet er heel logisch uit, vaak zelfs onopvallend, terwijl er heel veel aan gedaan is. Dat is ook mijn bedoeling. Daarom wennen mensen heel snel aan een nieuwe invulling van een ruimte.’

Welke karaktereigenschap moet een interieurarchitect hebben?
‘Souplesse, want je moet met veel verschillende mensen en uiteenlopende situaties omgaan. Er zijn zeker mensen die me lastig vinden. Ik kan streng zijn, ja. Dat hoort erbij als je nu eenmaal niet voor de makkelijkste weg kiest. Ik heb medewerkers tot wanhoop gedreven door te zeggen: het is niet goed genoeg, we gaan het nóg een keer omgooien. Ik zoek nu eenmaal altijd naar de beste oplossing. Als mensen vinden dat ik dat sneller moet doen, tja, daar word ik inmiddels niet zenuwachtig meer van.’

Wat is je advies aan mensen die nu starten?
‘Je moet erachter komen wat je kunt. En dat leer je door hard te werken in je in zoveel mogelijk disciplines te verdiepen. Gemakzucht is de vijand van creativiteit! Je moet jezelf dwingen telkens opnieuw te denken, naar nieuwe oplossingen en invullingen te zoeken. Hetzelfde kunstje herhalen, dat werkt niet. Mijn moeders motto was: il faut insister, men moet volharden. Waar hoor, maar als er geen talent is, dan heb je aan volharden ook weinig.’

Wat is leuker: werken voor particulieren of voor grote opdrachtgevers?
‘Uitdagend zijn ze allebei. Particulieren zijn lastiger want je begeeft je op privéterrein. Maar vaak zijn ze heel blij met het resultaat, al kan het werken met ze ook tricky zijn. Bijvoorbeeld als niet alles gerealiseerd kan worden omdat welstand of monumentenzorg (te) hoge eisen stellen. Ook zijn ze erg beïnvloedbaar door wat vrienden en familie ergens van vinden. Die onzekerheid begrijp ik hoor, vaak zit al hun kapitaal in een project. Het is dan aan jou als interieurarchitect om een oplossing te vinden. Praten, beargumenteren: dat is een steeds belangrijker onderdeel van het vak.’

 Je bent betrokken bij de plannen rond het Centraal Station in Amsterdam.
‘Jazeker, daar ben ik al een jaar of veertien mee bezig. Ik zit in een van de teams van Jan Benthem. Voor mij ligt het accent op de Cuypershal, de doorgangen in de vleugels en de passages met winkels. Het is een gigantische klus: Het stationsgebouw is nu een soort eindpunt van de stad, en dat moet anders: het IJ en Amsterdam Noord moeten beter aansluiten bij de rest van de stad. Daarom komen er nu vijf onderdoorgangen, waarvan twee voor mensen die niet met de trein reizen. Het station wordt als het ware geperforeerd. Tussen het stationsgebouw en het IJ komt een voetgangersgebied, vanaf juni worden auto’s daar onderdoor geleid. Erg prettig overigens om deel uit te maken van een team: ik hoef niet te budgetteren en te plannen.’

Wat zou je graag nog eens willen doen?
‘Een klein hotel. Dat zou ik dan prettig comfortabel en simpel inrichten. Ik hou zelf namelijk niet van flauwekul in een hotel, en dat kom je nogal eens tegen. Dit weekend nog, in een hotel in Gent. Het zat vol onhandigheden, Ze wilden het uitbreiden met nog eens 25 kamers. Ik heb ze geadviseerd een andere architect voor de klus te nemen dan de vorige.’

Wat is je volgende project?
‘We hebben net het definitieve plan voor het Groote Museum, het hoofdgebouw van Artis, bij de gemeente ingediend.’

Nog meer interessante portfolio’s – zoals die van fotograaf Bertien van Manen – bekijken? Klik dan hier.

Tekst: Coen Wulms Fotografie: Hans de Vries

Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on Google+